De Amerikaanse producentprijzenindex (PPI) steeg in april met 6 procent op jaarbasis. Dat is een flinke klap: economen hadden slechts een stijging van 0,5 procent verwacht. Het is tevens de grootste maandelijkse sprong sinds 2022, meldt CNBC op basis van gegevens van het Amerikaanse statistiekbureau.
De PPI meet de prijzen die producenten en groothandelaars betalen voor grondstoffen en halffabricaten — voordat deze producten in de winkel belanden. Een forse stijging hier kan dus later doorslaan op de consumentenprijzen. Dit roept vragen op over de inflatiebestrijding van de Amerikaanse centrale bank (Fed), die al maanden probeert de inflatie onder controle te krijgen.
Wat speelt hier? Economen wijzen op hogere energieprijzen, transportkosten en mogelijk geopolitieke spanningen die grondstofprijzen omhoog drukken. Ook leveringsketenverstoringen en verhoogde vraag naar bepaalde materialen kunnen meespelen. De cijfers suggereren dat de inflatie dieper zit dan de Fed eerder hoopte.
Dit raakt Nederland rechtstreeks. Nederlandse bedrijven die Amerikaanse goederen importeren, zien hun inkoopkosten stijgen. Denk aan machinebouw, chemie en voedselindustrie — sectoren waar Nederlandse fabrikanten afhankelijk zijn van Amerikaanse componenten en grondstoffen. Hogere importprijzen drukken op winstmarges of worden doorberekend aan klanten. Indirect voelt de Nederlandse consument dit terug in huishoudbudgetten en werkgelegenheid, vooral als werkgevers vanwege kostenstijgingen minder snel gaan uitbreiden.
De Fed zal dit rapport nauwlettend volgen. Standaard zou zo'n inflatiejump pleiten voor strengere renteverhogingen — maar dat riskeert economische vertraging. Dit creëert druk op het Europese beleid: als de VS zijn rentes verhoogt en de dollar sterk blijft, kunnen Europese centrale banken moeilijk achterblijven. Ook de ECB, die geld goedkoper tracht te houden voor Europese groei, staat in een lastig parket.




