Brian Fennessy, de nieuwe directeur van de U.S. Wildland Fire Service, laat geen twijfel bestaan: het wordt een lastige zomer. "We're dry" — drie woorden die de ernst van de situatie samenvatten.
De VS staat aan de vooravond van wat alle tekenen wijzen op een extreem wildvuur-seizoen. De grondwaterstanden zijn ongewoon laag, de vegetatie is droog als tondel, en de weersvoorspellingen geven weinig hoop. Fennessy reageert proactief: zijn bureau trekt extra bombardeer-vliegtuigen in en zet ze eerder in dan gebruikelijk. Het gaat om resources die cruciaal zijn voor het bestrijden van grote branden voordat ze compleet uit de hand lopen.
Opmerkelijk is Fennessy's afwijzing van kritiek op de preventieve aanpak. Dat debat woedt al jaren in Amerika: hoeveel middelen moeten naar preventie (vegetatiebeheersing, verdunning van bossen) versus bestrijding? Fennessy lijkt te suggereren dat zijn agency alles doet wat mogelijk is, gegeven de huidige middelen.
De realiteit is ingewikkelder. Grote delen van het Amerikaanse Westen zijn in de afgelopen twee decennia getroffen door massale bosbranden — Californië, Oregon, Washington, Colorado allemaal achter elkaar. De kosten explodeerden: brandbestrijding kost nu meer dan $5 miljard per jaar, en dat is nog exclusief de verwoesting van huizen en ecosystemen.
Fennessy's aanstelling is dus geen toeval. Het signaal is duidelijk: het federale apparaat erkent dat wildvuur een permanente, schaalvergrotende crisis is geworden — niet iets dat je jaar per jaar improviseren kunt.



