De spanning tussen Iran en omringende landen escaleert tot een economische schokgolf. Olieprijzen stijgen, gasprijzen volgen, en centrale banken waarschuwen voor recessierisico's. Het is niet zomaar oorlogsnijd in een ver land — het is een crisis die direct op de Nederlandse portemonnee afkomt.
De oorzaak is simpel: Iran en omliggende regio's controleren ongeveer 20 procent van de wereldolieproductie. Zodra onzekerheid toeneemt, pompen oliehandelaren de prijzen op uit voorzorg. Vorige week klom WTI-olie (de wereldbenchmark) boven de 85 dollar per vat — niveaus die we sinds 2022 niet zagen. Voor Europa, dat zwaar afhankelijk is van olie en gas voor industrie en huishouding, betekent dat direct pijn.
Nederland voelt dit op vier manieren. Ten eerste: uw energierekening. Elektriciteitsprijzen en aardgaskosten koppelen aan grondstoffenprijzen. Een duurzame stijging van 10-15 procent is niet onrealistisch. Ten tweede: de portemonnee bij het tanken. Benzine en diesel zullen waarschijnlijk 5-8 cent per liter duurder worden. Ten derde: inflatie. Bedrijven in transport, chemie en voedsel betalen meer voor energie, en geven dat door aan consumenten. Ten vierde: werkgelegenheid. Een recessie in Europa — ECB-voorzitter Lagarde waarschuwde daar gisteren voor — betekent minder werkgelegenheid en lagere lonen.
De Europese Centrale Bank zit in een klem. Ze wil inflatie bestrijden, maar hogere energieprijzen pushen inflatie automatisch omhoog. Renteverlagingen lijken nu minder waarschijnlijk. Dat remt hypotheekuitstel en consumptie verder af.
De vraag is niet of Nederlands bedrijvenleven dit voelt — het is al aan het voelen. Grote exporteurs als Shell en chemiereuzen hebben al gewaarschuwd. Kleinere bedrijven merken het volgende maand in hun energiefacturen.





