De kerninflatie in de Verenigde Staten is in maart opgelopen tot 3,2%, een stap verder weg van de doelstelling van de Federal Reserve. De oorzaak ligt niet alleen in normale prijsstijgingen, maar vooral in de escalerende olieprijzen als gevolg van spanningen in het Midden-Oosten rond Iran.
Dit cijfer doet meer pijn omdat het eerste kwartaal van 2026 tegelijkertijd teleurstelde met een economische groei van slechts 2%. Voor beleidsmakers van de Fed is dit een klassiek dilemma: de inflatie stijgt juist op het moment dat de groei vertraagt. Normaal kunnen renteverhogingen inflatie temperen, maar die bitterheid komt met risico's voor werkgelegenheid en consumentenvertrouwen.
De stijgende energieprijzen druppelen door in vrijwel alles — van vervoer tot huishoudelijke kosten. Consumenten voelen dit direct in hun portemonnee, en dat kan het consumentenvertrouwen onder druk zetten. Een minder uitgavengezinde consument kan de zwakke groei verder afremmen, wat een lastig scenario is voor de Fed.
Oliestijgingen zijn notoir moeilijk voor centrale banken: ze kunnen niet zomaar rente verhogen om aanbodschokken tegen te gaan, want dat remt juist de vraag verder af. De Fed zal in de komende maanden zeer zorgvuldig moeten communiceren over volgende stappen.
Deze combinatie — hogere prijzen en traagere groei — raakt ook Nederland direct. De ECB volgt Fed-bewegingen nauwlettend, en als de Amerikaanse inflatie hardnekkig blijft, kan dat consequenties hebben voor Europese rentebeslissingen. Bovendien importeert Nederland veel energie; hogere olieprijzen werken door in tankstations en verwarmingskosten hier.



