De Amerikaanse groothandelsprijzen zijn in april met 6% gestegen op jaarbasis. Dat is de grootste jaarlijkse stijging sinds 2022 en een flinke tegenvaller: analisten hadden slechts op 0,5% maandelijkse groei gerekend.
Deze zogenaamde producentenprijsindex (PPI) meet wat bedrijven aan elkaar betalen voor grondstoffen, halffabricaten en diensten — dus voordat producten in de winkel belanden. Als leveranciers hun prijzen ophogen, volgen winkels meestal.
"Dit is een waarschuwing," zegt econoom Frans de Vries van ING. "Wanneer de PPI zo sterk stijgt, duurt het gemiddeld 2 tot 3 maanden voordat consumenten dat in hun portemonnee voelen." De Amerikaanse inflatie op consumptieniveau was vorige maand al gestegen naar 3,4% — dus deze PPI-cijfers suggereren dat Amerikaanse winkels straks nog verder door moeten draaien met prijsverhogingen.
Voor Nederland betekent dit meer dan alleen rood alarm in Amerika. Nederlandse exporteurs naar de VS zien hun inkoopkosten stijgen — en internationale handelsketens worden duurder. Multinationale concerns als Unilever en Philips die in Amerika produceren en distribueren, krijgen hogere leverancierskosten. Bovendien: als Amerikaanse inflatie aantrekt, kan dat de Amerikaanse centrale bank (Fed) dwingen om renteverhogingen langer vol te houden. Dat beperkt de kans op lagere hypotheekrente in Nederland, waar onze eigen rente aan Amerikaanse bewegingen is gekoppeld.
Er is ook goed nieuws: het percentage stijging ligt onder het piek van 2022, toen producentenprijzen ruim 15% duurder waren. Maar de richting is duidelijk omhoog — en dat vraagt aandacht.




