De Amerikaanse producentenprijzindex (PPI) is in april met 6% gestegen op jaarbasis. Dat is een forse tegenvaller: analisten hadden gerekend op een bescheidener stijging van slechts 0,5% voor die maand.
De PPI meet de prijzen die producenten betalen voor grondstoffen, onderdelen en diensten — de bouwstenen van bijna alles wat we kopen. Wanneer deze kosten omhoog gaan, volgen consumentenprijzen doorgaans enkele weken later. Deze apriljump is de sterkste sinds 2022 en suggereert dat inflatie in de VS niet zo onder controle is als beleidsmakers hoopten.
Voor Nederland betekent dit op meerdere vlakken wat. Ten eerste: importprijzen uit Amerika worden waarschijnlijk hoger. Nederlandse importeurs van Amerikaanse goederen — van voedsel tot elektronicaonderdelen — zien hun inkoopkosten stijgen. Die kosten werken door naar Nederlandse winkelrekken. Ten tweede: een opflakkering van Amerikaanse inflatie zet druk op de Federal Reserve om rentetarieven langer hoog te houden. Dat remt op zijn beurt eurozone-renteverlagingen af, met gevolgen voor Nederlandse hypotheken. ECB-beslissingen worden immers mede bepaald door wat de Fed doet.
Ten derde raakt dit Nederlandse exportbedrijven. Hogere Amerikaanse inflatie kan vraag naar imports daar afremmen — minder bestellingen bij ASML, Unilever en andere exporteurs.
De vraag nu is of dit een eenmalige piek is of het begin van een nieuwe inflatiespiraal. De Federal Reserve volgt dit nauwlettend. Mocht Amerikaanse inflatie hardnekkig hoog blijven, dan zal renteverlaging — zowel in de VS als Europa — langer op zich laten wachten.
Bron: CNBC Economy




