De Amerikaanse consumentenprijzenindex (CPI) is in april gestegen naar 3,8% op jaarbasis. Dat is hoger dan de verwachte 3,7%, volgens consensusprognoses van Dow Jones. Het is de sterkste stijging sinds mei vorig jaar.
De uitkomst verraste economen. Markets hadden op een stabilisatie gerekend na maanden van voorzichtig dalende inflatie. In plaats daarvan zien we nu juist versnelling. Dit kan verschillende oorzaken hebben: stijgende energieprijzen, strammere arbeidsmarkten of grotere vraag in bepaalde sectoren. Het zet nieuwe druk op de Federal Reserve om langer vast te houden aan hogere rentetarieven.
Voor Nederlandse spaarders en huizenbezitters voelt dit direct in de portemonnee. Wanneer de Fed zijn rente hoog houdt, volgt de Europese Centrale Bank (ECB) doorgaans mee. Dat betekent dat hypotheekrentes in Nederland niet snel zullen dalen. Voor consumptiegoederen kunnen hogere Amerikaanse prijzen ook doorwerken naar Nederlandse winkelrekken, vooral bij Amerikaanse merken en producten.
Bovendien weegt Amerikaanse inflatie op het consumentenvertrouwen daar. Als Amerikanen minder gaan uitgeven, krijgen Nederlandse exportbedrijven dat te voelen. Multinationals als Unilever en ASML zijn sterk afhankelijk van Amerikaanse vraag.
De vraag is nu: hoe reageert de Fed? Blijven ze volharden op hoog tarief, of geven ze toch toe aan druk om te verlagen? Die keuze bepaalt de mondiale rente-trend voor de komende maanden.



