Het Amerikaanse energiedepartement gaat 53,3 miljoen vaten ruwe olie uit de Strategische Petroleumreserve (SPR) vrijgeven. Dit gebeurt in het kader van een gezamenlijk akkoord van het Internationaal Energieagentschap (IEA), waar 31 landen — onder leiding van de VS — hebben afgesproken elkaar bij te staan wanneer olieprijzen te hoog oplopen.
De VS beschikt over ongeveer 300 miljoen vaten in ondergrondse zoutgroeves, voornamelijk in Louisiana en Texas. Dit reservoir is bedoeld voor noodsituaties — denk aan oorlogen of grote productieproblemen. Door nu al ruim 53 miljoen vaten los te laten, probeert Washington de wereldwijde olieprijs onder druk te zetten. "Hoe meer aanbod, hoe lager de prijs" is het simpele recept.
Wat staat erachter? Olieprijzen zijn de afgelopen weken gestegen, deels door geopolitieke spanningen en productieuitval in enkele landen. Voor Amerikanen (en wereldwijd) betekent dit hogere benzineprijzen en dus duurdere vervoer en goederen. Voor de regering-Biden (of nu: de andere partij in Washington) is dit politiek gevoelig. Lagere tankprijzen scheppen populaire steun.
Dit is niet de eerste keer. De VS heeft in de afgelopen jaren meerdere keren olie uit de reserves geloosd — een tactiek die omstreden is, omdat je de reserves eigenlijk intact wilt houden voor echte crises. Economen debatteren of dit werkt: theoretisch drukt meer aanbod de prijs, maar sommigen vragen zich af of speculanten en producenten gewoon hun strategie aanpassen.
De IEA-afspraak stelt dat deelnemers samen tot 1,4 miljard vaten kunnen vrijgeven als de oliemarkt in nood verkeert. De VS draagt hier het zwaarste aan bij — een privilege dat hoort bij 's werelds grootste economie en energieproducent.





