Hogere benzineprijzen raken niet iedereen even hard. Dat concludeert onderzoek van de Federal Reserve van New York. Huishoudens met lage inkomens worden onevenredig hard getroffen en passen hun uitgaven drastischer aan dan rijkere gezinnen.
De studie toont een pijnlijk patroon: terwijl welgestelde huishoudens hogere benzineprijzen kunnen opvangen zonder hun consumptie aan te passen, zien lagere inkomensgroepen zich gedwongen minder te kopen. Dat gaat niet alleen om minder tanken — het gaat om minder boodschappen doen, minder eten bestellen, minder uitgeven aan noodzakelijke zaken.
Voor veel huishoudens is autorijden geen luxe maar een noodzaak. Werknemers die van hun auto afhankelijk zijn voor het pendelen naar hun werk zien hun reële inkomen krimpen met elke cent stijging van de benzineprijs. Kinderopvang bereiken, naar het ziekenhuis rijden, boodschappen halen — als je op het platteland woont of geen openbaar vervoer hebt, is een auto niet optioneel.
Het onderzoek van de Fed biedt een belangrijk inzicht in hoe inflatie in de praktijk uitwerkt. Inflatie wordt vaak gepresenteerd als een gemiddelde, maar die gemiddelde verbergt grote verschillen. Degenen die minder hebben, betalen dubbel: eerst door hogere benzineprijzen, daarna door het gat dat dat in hun budget slaat.
Deze bevinding past in een groter patroon dat economen steeds vaker zien: energieprijzen hebben een disproportioneel effect op lage-inkomenshuishoudens, wat de ongelijkheid verder vergroot.
**Voor Nederland**: Ook hier zijn gasprijzen vorig jaar flink gestegen. Nederlandse huishoudens met lage inkomens hebben soortgelijke problemen: minder geld voor boodschappen, energie en mobiliteit. Gemeenten en maatschappelijke organisaties waarschuwen al jaren dat armoede niet alleen over geld gaat, maar ook over mobiliteit en energiezekerheid. Dit Amerikaanse onderzoek onderstreept waarom dat zo belangrijk is.




